Grensattracties
Landgraben & adelaarstenen
Verscholen grenzen
Landgraben: aarden wallen met beukenhagen dienden vanaf de late middeleeuwen als grensversterkingen om het rijk te bewaken en toezicht uit te oefenen op wat zich in de regio afspeelde.
De “Landgraben” (in het Nederlands ook wel aangeduid als landweer of landgraaf) vormde de buitengrens van het Rijk van Aken, dat tussen de twaalfde en de veertiende eeuw in aansluiting op het oude koninklijke hof van Aken ontstond. Hij bestond uit een aarden wal met greppels aan beide zijden en een dichte beukenhaag erbovenop en met doorgangen die 's nachts werden afgesloten met balken of slagbomen.
Rond het bos in het zuiden van het Rijk van Aken bevond zich de Innerer Landgraben die deels met een heg van haagbeuken was beplant. Deze Innerer Landgraben - en in het noordoosten van het Rijk van Aken ook de Äußerer Landgraben – speelde ook een belangrijke rol bij het bosbeheer. Voertuigen konden alleen bij de slagbomen passeren, hetgeen een en ander heel wat moeilijker maakte voor houtdieven. De hagen van de Landgraben werden regelmatig op manshoogte gesnoeid en groeiden in de breedte uit waardoor ze vrijwel ondoordringbaar waren.
In het Aachener Wald is de wal van de Äußerer Landgraben nog op veel plekken bewaard gebleven. De greppels daarentegen zijn vaak dichtgegooid, bijvoorbeeld voor wegen. Van de Innerer Landgraben zijn nog gedeelten bewaard gebleven, maar de bomen zijn nog slechts hier en daar te herkennen.
Adelaarsstenen: begin zeventiende eeuw werd de loop van de grens herzien en gemarkeerd met 138 adelaarsstenen, waarvan er nog een paar in het landschap te zien zijn. Deze stenen danken hun naam aan het dier dat het stadswapen van Aken tooit. Deze adelaars werden door verschillende kunstenaars ter plekke in de stenen gebeiteld.Harpbeuken & heksenbomen: de voormalige beukenhaag is door regelmatig snoeien uitgegroeid tot een rij van met elkaar vergroeide knotbeuken. Na het einde van het Rijk van Aken werd de haag nog tot ca. 100 jaar geleden onderhouden door houtvesters die het snoeihout als brandhout gebruikten. Sindsdien zijn de knotbeuken doorgegroeid en hebben ze soms bizarre vormen aangenomen, waaronder die van een harp. Dit verklaart de naam harpbeuken
Rijk van Aken: het “Rijk van Aken” was het gebied van de voormalige vrije Rijksstad Aken dat bestond uit het door de stadsmuur omgeven gebied van de Glockenklang, de wijken Berg, Haaren, Orsbach, Soers, Vaals, Weiden, Würselen en de Aachener Heide, het Stadtwald en het Reichswald. In totaal was het Rijk van Aken ca. 9.000 hectare groot en was de grens ervan zo'n 70 kilometer lang.
Het Rijk van Aken ontstond tussen de twaalfde en de veertiende eeuw in navolging van het oude koninklijke hof van Aken. Een geschrift uit 1336 is het oudst bekende document waarin de koning (Ludwig IV) de heerschappij van Aken over de omliggende dorpen bevestigt.
In het westen grensde het rijk van Aken in de beginfase aan het hertogdom Limburg, in het noordwesten aan Oostenrijks Nederland, in het noorden en oosten aan het hertogdom Jülich en in het zuiden aan het gebied van de rijksabdij Burtscheid.
Later viel het hertogdom Limburg bijna twee eeuwen lang onder de heerschappij van de Spaanse koning. De grenzen van het gebied waren gemarkeerd met de adelaarsstenen, die het wapen van de Rijksstad Aken droegen. Ter bescherming van het rijk was een aarden wal aangelegd, de “Landgraben” of “landgraaf”, waarop een beukenheg geplant was en die voorzien was van een aantal wachttorens.
Ooit waren er acht van deze wachttorens. Ze waren dusdanig opgesteld dat het mogelijk was berichten via rook- of lichtsignalen naar de “Lange Turm” in de binnenstad te sturen. Een aantal torens is nog behouden gebleven: Alt-Linzenshäuschen, Beeck, Haus Hirsch, Adamshäuschen en de Burg Orsbach, die vermoedelijk als uitkijktoren diende. In de torens woonden de houtvesters, die verantwoordelijk waren voor het desbetreffende gebied (wouden en landgraaf). Bovendien moesten zij alle verdachte bewegingen van soldaten en vreemden melden. Vanaf het begin van de 16e eeuw werden het ambt van wachter en houtvester zo met elkaar gecombineerd.Landgraben en adelaarsstenen ontdekken:
Königswald & Bourgondische grensstenen
Wie is de baas over het bos?
In de middeleeuwen en tot ver in de nieuwe tijd waren de bossen met hun voorraden aan brandhout en voedsel (vruchten, bessen) van grote waarde voor het dagelijkse levensonderhoud van de mens – en werden ze dus intensief gebruikt. De rechten op het bos ten zuidwesten van Aken waren lange tijd omstreden: Aken, Gemmenich, Montzen, Moresnet en Kelmis dachten hier allemaal aanspraak op te kunnen maken.
In 1611 sloten de Rijksstad Aken en de regering in Brussel een overeenkomst over de tot dan gemeenschappelijk gebruikte bosgebieden. Om een einde aan de strijd te maken, werd het omstreden areaal onder het directe toezicht van de hertogen van Bourgondië gesteld en ontstond het Königswald. Vanaf 1615 werd dit bos gemarkeerd met speciale grensstenen, de “Burgundersteine”. Deze stenen gaven niet de grenzen tussen landen of gemeentes aan, maar vormden de afgrenzing tussen het gemeentelijke en het koninklijke bos.
Deze 700 “morgens” bos (ca. 230 hectare) worden vandaag de dag nog altijd aangeduid als het Königswald. Afbeeldingen en inscripties op de grensstenen, waarvan verschillende versies gemaakt zijn, wezen altijd richting het Königswald. De stenen met een gulden vlies erop stammen uit de tijd van de Spaanse heerschappij (17. eeuw) . Als ze het Bourgondische takkenkruis dragen, zijn ze tijdens de Oostenrijkse heerschappij (18. eeuw) geplaatst.Ontdek het Königswald en de Bourgondische grensstenen:
Grensovergang Köpfchen
Cultuurcentrum in plaats van controlepunt
De voormalige Grensovergang Köpfchen ontwikkelt zich tot een plek voor kunst en cultuurhistorische interactie.Bij deze oude grensovergang tussen Duitsland en België is al een paar eeuwen sprake van een echte grenssituatie: in 1439 veroverde Filips de Goede, hertog van Bourgondië, een strook land op Aken, waaronder ook het grondgebied Köpfchen. Sindsdien is deze plaats een knooppunt tussen verschillende talen en culturen.
Eind jaren 40 van de twintigste eeuw werd de grensovergang “Köpfchen” geopend. Omdat het smokkelen een belangrijke rol speelde in het economische leven in de grensregio, werden de grenzen streng bewaakt. Begin jaren 50 maakte het toenemende verkeer een verbreding van de straat noodzakelijk. Tegelijkertijd werd aan de Belgische kant een douanehuisje midden op straat gebouwd, tegenover het hoofddouanegebouw. Rond 1965 werkten er alleen al bij het Belgische douanekantoor Köpfchen 24 douaniers en twee gendarmes in ploegen, evenals een groot aantal douanedeclaranten in de expeditiekantoren in de omgeving.
Belangrijke grensovergang: totdat het douanekantoor Lichtenbusch in de jaren 60 langs de autosnelweg E40 werd aangelegd was Köpfchen de belangrijkste grensovergang tussen België en Duitsland, zowel voor het personen- als het goederenverkeer. In 1980 werden de slagbomen weggehaald bij de overgang en in 1995 trad het Schengenakkoord in werking en werden de grensinstallaties buiten bedrijf gesteld. Het grenshuisje dreigde te vervallen en werd steeds weer het mikpunt van vandalen. Maar in 2000 openden zich nieuwe perspectieven voor het terrein: het afstudeerproject van een industrieel ontwerpster vormde het initiatief voor artistieke interactie met de plek en diens architectuur. Hieruit kwam de Duits-Belgische cultuurvereniging “Kunst und Kultur im Köpfchen”, kortweg “KuKuK” voort.
Köpfchen als “venster op de geschiedenis”: het Belgische douanehuisje ging in bezit over op de gemeente Raeren en werd aan de vereniging verpacht. Deze heeft als doel de grensovergang te behouden als ruimte voor kunst en cultuur en als “venster op de geschiedenis”. Met een groot aantal aansprekende culturele evenementen en exposities, die ook buiten de regio werden opgemerkt, heeft KuKuK het Belgische en het Duitse grensgebouw en het omliggende bosgebied, ontwikkeld tot een plek voor levendige interactie rond het thema “grens”.Om het verval van het gebied tegen te gaan, hebben de stad Aken, de gemeente Raeren en EuRegionale 2008 afspraken gemaakt over een artistieke opwaardering van de locatie. In 2008 verwierf de Duitse vereniging, met steun van de deelstaat Noordrijn-Westfalen (NRW), het grote Duitse bakstenen gebouw en verbouwde het tot een cultuurcentrum met café-bar. De plaats die ooit bedoeld was om mensen van elkaar te scheiden, is vandaag een plek waar men elkaar graag ontmoet en verblijft. Hier wordt op alle niveaus grensoverschrijdend samengewerkt: met kunstenaars en vrijwilligers, sponsors en subsidiegevers.
Ontdek de grensovergang Köpfchen:
Neutraal Moresnet & Grensstenen
Ministaat van de tekentafel
Een klein landje waar het leven goed was: na de nederlagen van Napoleon in 1813 en 1814 besloten de geallieerden tot een herindeling van Europa en werd het noordelijke deel van het Franse rijk onder Nederland en Pruisen verdeeld. Men kon het echter niet eens worden over het gebied rond Kelmis (La Calamine) waar zinkerts werd gewonnen, hetgeen van belang was voor de productie van messing. Dit leidde tot een bijzondere oplossing: er werd een gebied ingesteld dat onder gezamenlijk bestuur van Pruisen en Nederland kwam en een neutrale status kreeg – vandaar de latere naam Neutraal-Moresnet.
© Museum Vieille MontagneHet slechts 350 hectare grote gebied had de vorm van een taartpunt en liep vanaf het huidige Drielandenpunt tot aan de weg naar Luik. Aan de kaarsrechte grenslijnen was af te leiden dat ze op een tekentafel waren uitgezet; het westelijke en het oostelijke deel van de gemeente Moresnet vielen niet onder de overeenkomst.
Smokkel van sterke drank: in 1816 woonden hier slechts 256 inwoners, maar met de ontwikkeling van de zinkgroeve (sinds 1837: “Société des Mines et Fonderies de Zinc de la Vieille Montagne”) en de daarmee gepaard gaande economische groei nam dit aantal snel toe. In 1830 werden er 500 inwoners geteld, in 1858 waren het er al 2.572. Het was de inwoners van Neutraal-Moresnet toegestaan drank te stoken – zij het voor eigen consumptie. Maar er werden zulke grote hoeveelheden geproduceerd dat die zelfs in de ongeveer 70 cafés en herbergen in het gebied niet geconsumeerd konden worden. Daarom werden grote hoeveelheden over de grens gesmokkeld, vooral naar Nederland.
Een verder curiosum: de voorstanders van één universele internationale taal wilden aan het begin van de twintigste eeuw van Neutraal-Moresnet een Esperanto-staat maken. Bij een vergadering van de internationale Esperantobeweging werd Moresnet uitgeroepen tot de thuisbasis van de beweging. Volgens een bericht in de Aachener Post waren de inwoners van Neutraal-Moresnet enthousiaste Esperantisten: “De cursussen om de taal te leren zaten overvol en overal hoorde men mensen in het Esperanto stuntelen; ook de 75 kasteleins van het landje bedienden hun klanten in de nieuwe landstaal.”
De zinkertswinning in de groeve in de Altenberg stopte in 1895 en twee jaar later dienden de bewoners van Neutraal-Moresnet een verzoekschrift in om bij België aangesloten te worden ingeval er ooit een einde aan hun onafhankelijkheid kwam. In de Eerste Wereldoorlog werd het gebied, evenals België, door Duitsland bezet en uiteindelijk werd het op basis van het Verdrag van Versailles van 1919 bij België gevoegd.
Beleef de grenslijn en de grensstenen van Neutraal-Moresnet op:
Mijnbouw, lood en zink
Plombières en Kelmis: het is nauwelijks te geloven, maar de Euregio is van oudsher een mijnbouwregio. Tegenwoordig zijn er nog maar weinig sporen van dit industriële verleden zichtbaar, maar op sommige plaatsen zijn ze nog steeds terug te vinden. In de Belgische gemeenten Kelmis en Plombières werden vooral lood- en zinkertsen gewonnen, terwijl aan Duitse en Nederlandse zijde voornamelijk steenkool werd gedolven.
In het huidige Kelmis, vroeger het neutrale Moresnet, ligt de oorsprong van de moderne zinkindustrie. Hier bevond zich namelijk de grootste zinkertsafzetting van Centraal-Europa. Lokale geschiedenis, wereldgeschiedenis en industriële ontwikkeling zijn hier onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het Museum Vieille Montagne in Kelmis vertelt het unieke verhaal van deze bijzondere plaats.
In de aangrenzende gemeente Plombières werden niet alleen zinkertsen, maar ook lood en zelfs zilver gewonnen. Op de Site Minier kunt u tijdens een wandelroute en in het mijnbouwmuseum Maison du Site Minier kennismaken met het boeiende verleden van de streek en haar mijnbouwgeschiedenis. Leuk weetje: de namen van beide gemeenten verwijzen naar de plaatselijke bodemschatten. De Duitse naam van Plombières is Bleyberg (“Loodberg”) en in het plaatselijke dialect worden zinkertsen “Kelms” genoemd, waaruit de naam Kelmis is ontstaan.De naam „Galmei“: galmei is een verzamelnaam voor zwavelvrije zinkertsen. Tot 1805 werd galmei gebruikt voor de productie van messing, een legering van koper en zink. Het werd geleverd aan de zogenaamde “dinandiers” of koperslagers langs de Maas, onder meer in Dinant, Bouvignes en Namen, maar ook in Aken en Stolberg. Al vanaf de 15e eeuw werd galmei uit de Euregio zelfs geëxporteerd naar steden als Neurenberg en naar regio’s in Zweden en Lotharingen. In de 19e eeuw werd het mogelijk om zink rechtstreeks uit galmei te winnen. Dit zink werd gebruikt voor de vervaardiging van platen, dakgoten, badkuipen, emmers, wasborden en sierlijsten. Dankzij zijn veelzijdige toepassingen kan zink met recht worden beschouwd als het “plastic van de 19e eeuw”.
Aan de ontwikkeling van het dwergstaatje Neutraal-Moresnet is af te lezen welke betekenis dit had voor de industriële productie van die tijd.Mijnbouw sinds de veertiende eeuw: de belangrijkste mijnen in de grensregio waren Altenberg (“Vieille Montagne”) en Schmalgraf in de gemeente Kelmis en Bleyberg in het naburige Plombières. In de mijn Altenberg werd erts gewonnen vanaf tenminste 1344 tot 1884, het jaar waarin de mijn was uitgeput. Schmalgraf leverde vanaf 1869 tot 1933 zinkerts, terwijl in Plombières/Bleyberg vanaf halverwege de veertiende eeuw tot in 1922 erts gewonnen werd.
Zeldzame zinkflora: zowel in Kelmis (bij het stuwmeer Casinoweiher, beschermd natuurgebied Altenberg) als in Plombières/Bleyberg zijn de voormalige mijnterreinen begroeid met de zeldzame en gevoelige zinkflora. Deze planten zijn specialisten op bodems die rijk zijn aan zware metalen. In de loop van hun evolutie hebben zij een hoge tolerantie voor zware metalen ontwikkeld, waardoor zij kunnen groeien op gronden die voor de meeste andere planten giftig zijn. Het geografische verspreidingsgebied van de zinkflora is zeer beperkt. Een typische vertegenwoordiger van deze flora is het gele zinkviooltje dat alleen hier in de grensregio voorkomt. Andere exponenten van de zinkflora zijn het witbloeiende herderstasje, de roze bloeiende grasanjelier en het zinkschapengras, een blauwgroen borstelig gras.
Mijnbouwgeschiedenis ontdekken:
Pelgrimsroutes & Kerkgangen
Op pad in het teken van het geloof
Al in de tijd van Karel de Grote kwamen er pelgrims naar Aken. In de middeleeuwen ontwikkelde de pelgrimage naar de Dom van Aken met het graf van Karel de Grote en de andere heiligdommen die hier getoond worden zich tot de belangrijkste bedevaart in het Duitstalige gebied. Hoewel de populariteit van pelgrimages door de reformatie in de zeventiende eeuw afnam, gaan ook vandaag de dag nog talloze gelovigen op bedevaart naar de heiligdommen van Aken, die slechts eens in de zeven jaar worden getoond. Tijdens de Heiligdomsvaart van 2023 trokken 110.000 pelgrims naar de Dom van Aken.
In Aken ligt aan de Preusweg bovendien het startpunt voor de bidweg van Moresnet, een acht kilometer lange tocht naar het Maria-bedevaartsoord Moresnet-Chapelle en tegelijkertijd een gedeelte van de Jacobsweg naar Santiago de Compostela.Moresnet-Chapelle: volgens de overlevering genas in 1747 een boerenzoon in Moresnet-Chapelle van epilepsie door een Mariabeeldje te aanbidden. De indertijd zes jaar oude Peter Arnold Frank was al eerder met zijn ouders op bedevaart geweest naar Aken, maar het aanraken van de daar getoonde relikwieën had zijn ziekte niet verminderd. In 1823 werd er voor het eerst een kapel gebouwd op de plaats waar Peter Arnold Frank het Mariabeeldje had aanbeden. Enkele jaren later werd de eerste bedevaart uit Aken georganiseerd. Sindsdien begeven zich elke woensdagochtend pelgrims langs de vele wegkruizen naar Moresnet-Chapelle. In 1830 vond de eerste door de kerk georganiseerde bedevaart plaats en werd de kapel definitief door de kerk als bedevaartsoord erkend en gewijd. Enkele jaren later legden monniken naast de kapel een kruisweg met veertien staties aan, de Calvarieberg – een van de mooiste installaties van zijn soort in Europa. De huidige bedevaartkerk staat op de plek waar zich in de achttiende eeuw het Mariabeeldje bevond.
Jacobswegen: de bedevaartweg van Aken naar Moresnet-Chapelle maakt ook deel uit van de Jakobsweg. De Jacobsweg (2.2.2) tussen Rijn en Maas voert in tien etappes van Millingen aan de Rijn (NL) voorbij de Niers naar Kevelaer en verder naar Venlo. Vervolgens loopt de route langs de Maas via Roermond naar Maastricht. Etappes vanaf Aken via Gulpen naar Maastricht of Meersen vormen de aansluiting met de Jacobsweg vanaf Wuppertal via Keulen en Düren. In Aken begint de “Niederstraße” die via Parijs naar Tours en verder de Pyreneeën in voert.
Ontdek de bedevaartweg van Moresnet en de Jacobsweg:
Geuzenroute: wie volgens de leer van Luther leefde, had het in de 17e en 18e eeuw niet gemakkelijk. In de door de katholieken gedomineerde grensregio werden protestanten voortdurend onderdrukt. Geen wonder: het gehele gebied stond immers onder invloed van de Spaanse – streng katholieke – Kroon. Adellijke en hooggeplaatste burgers dienden verzoekschriften in om vrijheid van religie te realiseren, maar zonder succes. Dit was de tijd waarin protestanten werden uitgescholden voor Geuzen (Fr. "gueux" = bedelaar).Uiteindelijk wisten de Nederlanders na de Tachtigjarige Oorlog (1568 - 1648) de Spaanse heerschappij van zich af te schudden en konden de protestantse geloofsgemeenschappen hun geloof op Nederlands grondgebied vrijelijk belijden. Vaals werd een toevluchtsoord waar protestanten uit Aken, Burtscheid en Eupen elke zondag naar de kerk gingen. In 1750 telde het dorpje Vaals slechts twaalf huizen met overwegend katholieke inwoners en maar liefst vier protestantse kerken. Hier op de Geuzenroute kun je de kerkgang ervaren die de Frans-Waalse gemeenschap uit Eupen ondernam: een onherbergzame route van vier uur via Kelmis door het Preuswald via de Akenerstraat naar Vaals naar de “Franse keresch”.
Ontdek de Geuzenroute:
Knooppunten: B: 86 – D: 39 – 29 – 12
Westwall
Geïntegreerde spelbreker
Vroeger een afschrikwekkend bouwsel - nu een thuis voor bedreigde dieren en planten: de Westwall, een overblijfsel van de nationaalsocialistische oorlogspolitiek, is in de regio Aken nog op veel plekken in het landschap te herkennen. Deze verdedigingslinie bestond uit een systeem van tankversperringen, tunnels, ondergrondse verblijven en versterkte kazematten. De Westwall werd over een lengte van ca. 630 kilometer tussen Kleve en Weil am Rhein gebouwd en telde in totaal 18.000 kazematten en tunnels. Hoewel de Westwall door de volgelingen van Hitler als het grootste verdedigingswerk uit de geschiedenis werd geprezen, heeft hij geen rol van betekenis gespeeld bij de gevechten aan het einde van de Tweede Wereldoorlog.
In de jaren 1938/39 werd de “Höckerlinie” aangelegd, met betonnen muurtjes met prikkeldraad aan de voorkant en de eigenlijke “Höcker”, oftewel “drakentanden”. Deze hindernissen van ijzer en beton werden op de topografie van het landschap afgestemd en moesten oprukkende voertuigen en tanks afremmen. Voor een kilometer drakentanden was 104 ton ijzer en 2000 kubieke meter beton nodig.
In de regio Aken liep de verdedigingslinie parallel aan de grens met België en Nederland. De meeste kazematten zijn na de oorlog opgeblazen, maar de drakentanden zijn voor bijna 90 procent bewaard gebleven. Het zijn nu beschermde monumenten die in de loop der tijd een toevluchtsoord zijn geworden voor allerlei zeldzame planten en dieren.Ontdek de Westwall:
Smokkel
Dodelijke douaniers
In de grensregio smokkelde bijna iedereen – uit nood of vanwege de hoge winsten. Zodra er grote prijsverschillen tussen bepaalde goederen in verschillende landen bestonden, werd smokkel in de grensregio's een alledaags fenomeen. In de regio Aken was het al niet anders. Hier floreerde deze illegale vorm van goederenvervoer al voor de Eerste Wereldoorlog. Toen voorzagen mensen in hun levensonderhoud door als regelmatige “grensgangers” in Vaals grote hoeveelheden koffie tegen gunstige prijzen in te kopen en deze vervolgens in Aken met winst door te verkopen.
In de algehele crisissituatie na de Eerste Wereldoorlog werd er nog veel meer gesmokkeld, nu er ook grote hoeveelheden levensmiddelen voor dagelijks gebruik illegaal over de grenzen gebracht werden. Na verloop van tijd ontwikkelde het smokkelen zich zelfs tot op een professioneel niveau. De goederen werden tot ver in het Duitse Rijk verkocht en Aken stond bekend als het “gat naar het westen”.
In en na de Tweede Wereldoorlog nam het smokkelen nieuwe dimensies aan. Om een betere levenssituatie te realiseren, transporteerden mensen van alle leeftijden goederen illegaal over de Belgische en Nederlands grens naar Duitsland. In mei 1945 werden de grensovergangen gesloten en stelde de Britse bezettingsmacht een douanewezen onder Duits bestuur in dat het bevel kreeg op smokkelaars te schieten, hetgeen enkele smokkelaars inderdaad met de dood moesten bekopen.
Prikkeldraadversperringen aan de grenzen: populair smokkelwaar was met name koffie, thee, boter, cacao en sigaretten. De uit- en invoer ervan was beperkt en elk bezoekje aan de andere kant van de grens werd met een stempel in het paspoort vastgelegd. Om te voorkomen dat iemand buiten de officiële overgangen met goederen de grens overstak, werden prikkeldraadversperringen opgericht.
Tot aan de geldhervorming op 20 juni 1948 werd de Reichsmark nog gebruikt. Een kilo koffie kostte soms wel 1.500 Reichsmark, een pond boter 600 en een Amerikaanse sigaret kostte nog altijd 8 Reichsmark. Als men dit afzet tegen het maandsalaris van 180 Reichsmark dat een douanier indertijd verdiende, dan is al snel duidelijk hoe lucratief smokkelen kon zijn.
Varens als verstopplaatsen: in het Akense Bos gebruikten de smokkelaars de dichte begroeiing van varens graag om hun smokkelwaar en zichzelf in te verstoppen als ze douaniers zagen. Varens worden hier daarom ook vandaag de dag nog wel “Schmugglerkraut” (smokkelaarskruid) genoemd. Het spoorwegtraject van Aken naar Montzen en met name de tunnels op deze route werden vaak als smokkelroute gebruikt, evenals de bidweg van Moresnet door het Preuswald, waar de smokkelaars zich onder de bedevaartgangers mengden.Op smokkelpaden :
Historisch Vaals
In het spoor van Von Clermont
Hoe een succesvolle textielfabrikant uit Aken van Vaals zijn thuis maakte: hoewel er al lang voor onze tijdrekening en ook tijdens de Romeinse tijd mensen in het gebied rond Vaals woonden, heeft deze plaats zijn huidige vorm met name te danken aan de activiteiten van één man: Johann Arnold von Clermont (1728-1795). Deze zoon van een lakenfabrikant uit Aken verplaatste de productie van zijn familieonderneming in 1761 naar het naburige dorp, nadat de regels van het gildewezen van de Duitse keizerstad productie-uitbreiding onmogelijk hadden gemaakt. In Vaals waren protestanten indertijd welkom en talloze geloofsbroeders van Von Clermont die zich in het katholieke Aken achtergesteld voelden, vestigden zich ook in het Nederlandse deel van het hertogdom Limburg.
Von Clermont heeft in Vaals zijn sporen achtergelaten: aan het Von Clermontplein in het centrum van Vaals ligt het stadspaleis met lakenfabriek dat Von Clermont door de architect Moretti uit Aken liet bouwen. Momenteel is dit pand in gebruik als gemeentehuis. Von Clermont nam ook het initiatief tot de aanleg van een grote openbare watervoorziening die in verbinding stond met het gekanaliseerde stroompje de “Gau”: het zachte bronwater met zijn constante temperatuur van 10 graden Celsius was prima geschikt voor het spoelen en verven van lakense stoffen. Aan het Von Clermontplein bevindt zich ook de vroegere Luthers-Evangelische kerk, die in 1737 door rijke protestanten uit Aken gebouwd werd. In het achthoekige gebouw is nu het museum “Kopermolen” gevestigd waar wisselende exposities en concerten worden gehouden.Vroeg-classicistische pracht en praal: ook het prachtige vroeg-classicistische gebouw Kasteel Bloemendaal is in opdracht van Von Clermont gebouwd. In 1791, op 63-jarige leeftijd, wilde de fabrikant zijn levensdroom vervullen en liet hij tegenover zijn nieuwe weverij de eerste steen leggen voor een vorstelijk landgoed. Later werd het huis gebruikt als klooster en als kloosterlijk meisjesinternaat, terwijl het tijdens de Tweede Wereldoorlog door de Duitse bezetters als militair hospitaal werd gebruikt. In 1990 werd het besluit genomen het leegstaande monumentale pand, dat in verval dreigde te raken, tot luxe hotel te verbouwen. Von Clermont kocht in zijn beginjaren ook het bouwvallige kasteeltje Vaalsbroek en verbouwde dit fasegewijs tot een landgoed met woonhuis, kantoorgedeelte, fabriek en landschapspark. Momenteel bevindt zich hier een luxe hotel.
“Een van de mooiste dorpen in de omgeving”: de Vaalser kapelaan Adolph Vaessen schreef over Von Clermont dat de lakenfabrikant Vaals met zoveel andere gebouwen en woonhuizen had verfraaid, dat het dorp daardoor van een drassig dorp met armoedige hutten was omgevormd tot een van de mooiste dorpen in de omgeving. Tip: er is een bewegwijzerde “Historische Stadswandeling” uitgezet door historisch Vaals waarbij op bepaalde gebouwen bordjes met extra informatie zijn aangebracht.
Ontdek Vaals:
